werkwoorden Bekijken

Pagina 
 van 321
werkwoord afspreken
Spaans acordar
voltooid deelwoord hebben afgesproken
ik (heden) spreek af
ik (verleden) sprak af
jij/u (heden) spreekt af
jij/u (verleden) sprak af
hij/zij/het (heden) spreekt af
hij/zij/het (verleden) sprak af
wij/jullie/zij (heden) spreken af
wij/jullie/zij (verleden) spraken af
Pagina 
 van 321